De zondvloed en andere hete tijden
We staan aan de vooravond van hete tijden. De verandering van ons klimaat bedreigt alles wat de mensheid heeft verwezenlijkt. Al wie jonger is dan veertig jaar behoort tot een het-kan-zo-niet-langer-generatie. Ze groeiden op na de jaren zeventig en werden groot met waarschuwingen zonder parure: dat de voorraden uitgeput raakten, dat de wereldbevolking te snel groeide. Het begon met autoloze zondagen en eindigde met … tja, hoe eindigde het? (pagina 23)

Anne Provoost
Deze elf jaar oude quote is geschreven door de Belgische schrijfster Anne Provoost (1964). Parure betekent zoiets als een reeks.

Zij refereert natuurlijk aan het legendarische Aula-pocketje De grenzen aan de groei (het fameuze Rapport van de Club van Rome) uit 1972, waarin tientallen vervelende zaken worden opgesomd die op ons pad zouden kunnen komen. Maar er zijn meer boeken waarin ‘we’ gewaarschuwd werden.

Artikel: Het is erger dan je denkt, veel erger (mei 2019).

Een preek
Het citaat van Anne Provoost komt uit Beminde ongelovigen : atheïstisch sermoen. Ruim tien jaar geleden wist zij al dat ‘het’ niet goed gaat met de wereld en dat ‘we’ als mensheid aan de bak moeten. Zij was niet de eerste. Feitelijk wordt dit al tientallen jaren door uiteenlopende schrijvers en wetenschappers beweerd. Alleen hebben we massaal de schouders opgetrokken en zijn doorgegaan met wat we al jaren deden: meer verbruiken dan de aarde toestaat. In 2008 ‘vierden’ we Earth Overshoot Day op 23 september. Dit jaar bereikten we dit fictieve punt op 29 juli. Op mondiale schaal. Kijken we naar Nederland dan ziet het er (nog) dramatischer uit: in 2019 viel Earth Overshoot Day voor Nederland op 4 mei.

Anne Provoost voorzag in 2008 ook wat ons te wachten zou staan:

Er wachten ons nog heel wat beperkingen. Steeds meer zullen we genoegen moeten nemen met wat er voorhanden is, met de schaarste die we zelf hebben veroorzaakt. We zullen moeten groeien naar een economie van de begrenzing, een economie van het genoeg. Vinden dat je voldoende hebt, is de basis voor genot. Genieten is: geen gemis ervaren, maar vervulling vinden en daar een levenskunst van maken. Het is de aanzet tot een nieuwe habitus: die van het geloof dat dit leven een once in a life time opportunity is, dat wat we kunnen, kennen en begrijpen ook datgene is waarmee we aan de slag mogen. En dat het aan ons is om er het beste van te maken. (pagina 42-43)

Anne ProvoostZomeroogst
Dit kleinood was een van de boeken die ik deze zomer las. De meeste boeken sluiten bij dit verhaal, deze oproep aan. Sorry: preek.

Anne Provoost bezigt het woord sermoen. En in een sermoen wordt gepreekt. Vervelend, veel seculiere mensen hebben daar een hekel aan. Luisteren liever niet naar mensen die het ‘beter’ (menen te) weten. Zich beroepen op moraal, ethiek. ‘Het goede’. Toch doet ze dat. Bewust, met een grote knipoog. Dat wel. Een genot om te lezen.

De woorden soberheid, barmhartigheid, eerlijkheid, gelijkheid, inkeer, opoffering en zending wil ik terug. Zelfs het woord schepping wil ik reclameren. De wereld zoals hij voor ons ligt wil ik weer een gave noemen, het in stand houden ervan een opgave. Ik wil onze planeet weer als heilig bestempelen. De inzet voor het behoud ervan ervaar ik als een roeping. Op die manier moet het mogelijk worden om ons taalgebruik opnieuw een moraliserende inslag te geven. Het moraliseren is door de godsdienst zodanig ingenomen dat de seculiere maatschappij ervoor terugdeinst om een prekerige toon aan te slaan. Eeuwenlang hebben mensen in naam van de godsdienst ‘Zonde!’ geroepen. Ze deden dat omdat een vrouw overspel pleegde, of omdat een man een man in de armen sloot. Zonde bevindt zich niet voorbij de grens van het peilbare, maar is begrijpbaar en kenbaar, dus is het geen begrip dat is voorbehouden aan gelovigen. Verspilling, gulzigheid, baatzucht mogen wat mij betreft weer aan het kwaad worden gerelateerd. Zoals er misdaden tegen de menselijkheid zijn, zo moeten we ook misdaden tegen de natuur en ons milieu definiëren. Wie verdraagt dat elke avond 850 miljoen mensen op deze planeet gaan slapen met een lege maag leeft in verdorvenheid. Wie morst met onze natuurlijke voorzieningen is een zondaar, niet wie op een onconventionele manier de liefde bedrijft. (pagina 43-44)

We zijn bijna allemaal conservatieve blinden
De Italiaanse schrijver Claudio Magris (1939) schreef op 5 november 2009, twintig jaar na de val van het IJzeren gordijn het volgende in de column De Muur zal nog jaren bestaan ...:

Hij kon zich niet voorstellen dat de Muur zou vallen, zoals niemand van ons dat zich kon voorstellen en voor mogelijk hield, net als hij overtuigd dat de Muur nog onafzienbare tijd zou blijven bestaan. We zijn bijna allemaal conservatieve blinden, niet gauw geneigd of zelfs niet in staat te geloven dat de dingen kunnen veranderen. We verwarren de realiteit waarin we gewend zijn te leven met de natuur, met een vaste bestaansorde, en beschouwen de hoop die te kunnen veranderen als wenselijk doch naïef. We verwarren de façade van de realiteit met de enig mogelijke en definitieve realiteit, zonder op te merken wat daarachter altijd en onophoudelijk in beweging is en haar voortdurend verandert - nu eens langzaam, bijna onmerkbaar, dan weer in een verbluffend tempo.
We horen de worm niet die aan het hout knaagt, we zien de pop niet die een vlinder zal worden, we merken het dichtslibben van de aderen van de Geschiedenis niet op. We zouden een heethoofd zien in iemand die in oktober ‘89 had gezegd dat de Berlijnse Muur spoedig zou instorten en dat er in plaats van de gevallen ideologische muren andere etnische en sociale muren zouden verrijzen, lompe kortzichtigheid, benepen en verstikkende micronationalisten. (pagina 81)

Claudio MagrisBetrapt
Het citaat komt uit een bundel artikelen die dit jaar verscheen onder de titel Momentopnamen. Drie jaar later merkt Claudio Magris (vooral bekend van: Donau : een ontdekkingsreis door de beschaving van Midden-Europa en de crisis van onze tijd) in de column Schrijven, verboden toegang op:

Ik kijk en luister naar hem (een gedetineerde die een lange straf voor moord uitzit en voor zichzelf is gaan schrijven) en denk aan de walgelijke emotionele striptease die steeds verder oprukt. Aan de geliefden of ex-geliefden die zo nodig op televisie hun grieven moeten uiten en daarbij het bed degraderen tot een podium voor strijd en roddel, aan de moeders die hun hart over het hele scherm uitstorten, aan de massa’s mensen die op Facebook intimiteiten onthullen - aan personen die ze niet kennen en die na de uitwisseling nog vreemder blijken, of andermans ontfutselde intimiteiten op grove wijze verspreiden. Ook het hart, schrijft Flaubert, heeft zijn latrines, maar je snapt niet waarom je die door het sleutelgat zou moeten bespieden en duizenden anderen uitnodigen om hetzelfde te doen, of waarom je de deur van je eigen latine zou moeten openzetten wanneer je je gaat ontlasten en anderen uitnodigen om toe te kijken. (pagina 106-107)

Bestrijder van vooroordelen
De nieuwe Denker des vaderlands, Daan Roovers (1970, uit Veghel) liet zich aan het begin van haar twee jaar durende ‘regering’ door Marc van Dijk interviewen. Het verslag daarvan staat in Wij zijn de politiek : het denken van Daan Roovers. Daarin gaat het over verschillende thema’s waar zij zich de komende twee jaar tegenaan wil gaan bemoeien. Uit dat boekje (van 112 pagina’s) enkele citaten die aansluiten bij de oproep van Anne Provoost om ons weer meer bezig te gaan houden met moraal en ethiek. Niet om voor te schrijven. ‘De waarheid’ te verkondigen, maar meer omdat zij weet dat het in het leven uiteindelijk niet draait om koopkrachtplaatjes.

Een definitie van filosofie die ik graag hanteer is: filosofie houdt zich bezig met de strijd tegen de vooroordelen. Dat zou zeker het geval moeten zijn als je je bezighoudt met publiek denken. (pagina 29)

Vooruitstrevend? Kritisch?
Publiek denken. Daar was en is Daan Roovers mee bezig. Werkte jarenlang voor het Filosofie Magazine en bedacht allerlei manieren om met burgers in gesprek te gaan over thema’s die in onze samenleving spelen en hoe filosofen en hun gedachten daarbij van pas kunnen komen. Daan Roovers praat zonder meel in de mond. Is echter niet cynisch, ironisch, noch - wie zal het zeggen: postmodern.

Vroeger was kritisch zijn heel vooruitstrevend, maar die tijd hebben we gehad. Daarmee onderscheid je je niet meer als onafhankelijke geest, want vandaag de dag is iedereen lekker kritisch. Wie voorop wil lopen, kan beter zijn empatisch vermogen wat meer gebruiken. Zoals ik laatst op de Britse website Politico las: “Being nice is the new punk.” (pagina 31)

Daan Roovers realiseert zich samen met andere denkers dat ons politiek systeem hapert. Niet optimaal functioneert. Dat zal het trouwens nooit doen; hét kan altijd beter. Maar zij ziet dat er momenteel in binnen- en buitenland van alles mis is. Niet lekker loopt. Ze zegt:

We zijn politiek gaan zien als het maken en uitvoeren van regels, maar dat is in wezen technocratisch denken. Politiek bestaat dan uit noodzakelijke uitvoeringsmodellen, in plaats van spreken over hoe de goede samenleving eruit zou moeten zien. Sinds de jaren negentig zijn we regeren gaan zien als een vorm van management: de bv Nederland laten renderen en groeien.

Dat leidt tot vervreemding. Dat is ook wel gebleken, de afgelopen twee decennia. (pagina 44-45)

Het gesprek aangaan, in ... het Buitenveld
Daan heeft het over ‘de goede samenleving’, en hoe die eruit zou moeten zien. Politici zouden in haar optiek weer meer moeten gaan praten over waar ze voor staan, en vooral waar ze naartoe zouden willen gaan. En minder bezig zijn met het tackelen van problemen, steggelen over het financieringstekort of koopkrachtplaatjes. Minder managers en meer leiders. Maar ze vindt vooral dat we (de) politiek niet alleen aan de politici over moeten laten. Integendeel.

Dit boek is één groot pleidooi om te proberen ‘iedereen’ bij dit gesprek (over die goede samenleving) te betrekken. Dat gaat natuurlijk nooit lukken, maar zij wil zich de komende jaren als Denker des Vaderlands vooral daarvoor inzetten.

Artikel: Buitenveld - Waar iedereen uit de eigen cirkel treedt en de ander ontmoet op neutraal terrein (februari 2017)

We moeten manieren vinden om het politieke gesprek en de politieke meningsvorming niet langer uit te besteden aan een speciale klasse, en ze weer werkelijk deel te laten worden van onze levens. (pagina 49)

Jean-Paul SartreZe realiseert zich echter dat zo’n gesprek niet gemakkelijk zal zijn, want:

Ons grootste probleem is niet zozeer de overheersing van de ene klasse over de andere, of de hardnekkigheid van antiwetenschappelijke scepsis, racisme of homofobie, maar de overheersing van de extreme stem over de gematigde. (pagina 64)

en

We moeten echt veel actiever aan de slag om van mensen burgers te maken in plaats van consumenten. (pagina 67)

Uiteraard neemt ze enkele filosofen in haar betoog mee. Op de opmerking van schrijver Marc van Dijk (‘Jouw conclusie is: de mens onderscheidt zich door zijn verantwoordelijkheid’) zegt ze:

Inderdaad. En dat is niet alleen een gegeven, maar ook een opdracht. Sartre zou het “te kwader trouw” noemen als jij je verschuilt achter je materiële basiscondities, zoals de bedrading van je brein. (Daan verwijst naar Dick Swaab’s Wij zijn ons brein). () De opdracht die Sartre ons stelt, om verantwoordelijkheid te nemen voor ons eigen bestaan, is het enige en het beste antwoord op big tech. Wij zijn ons brein, inderdaad. Maar dat is geen eindconclusie. Daar begint het pas. (pagina 87)

Wilhelm von HumboldtEven verder heeft ze het over Bildung en Wilhelm von Humboldt.

Volgens Von Humboldt kon de reactie op de grootscheepse industrialisering van het lichaam niets anders zijn dan de ontwikkeling van de geest. De machine moest de mens niet overbodig maken, maar hem juist ten dienste staan. De mens moet ook niet gaan concurreren met de machine - wie is de sterkste, of ins ons geval: wie is de slimste - maar datgene ontwikkelen wat hem onderscheidt van de machine, dus Von Humboldt zei: ontwikkel je geest! Zijn programma daarvoor is bekend geworden onder de naam Bildung. Het omvatte drie hoofddoelen: de ontwikkeling van algemene kennis, kritisch denken en moreel oordelen. Ik denk dat we hiermee ook voor het heden en de nabije toekomst - met wat aanpassingen - een sleutel in handen hebben. (pagina 93-94)

Daan Roovers stipt nog een ander majeur onderwerp aan: onze té ver doorgeslagen individualistische samenleving. Een wereld die vooral om mij draait. Ik als the center of the universe. Ik in mijn bubbel. Lastig in een wereld waarin we allemaal op onze eigen manier ietwat in zullen moeten schikken. ‘Dingen’ uit onze lifestyle in moeten ruilen voor ‘andere’ zaken die een minder groot beslag op de aarde en anderen leggen.

Kritisch denken gaan we omvormen tot publiek denken. Het denken moet niet langer gericht zijn op het kritische, op dat wat ons onderscheidt van elkaar, maar op het publieke, op onze gezamenlijkheid. Kant heeft het over Öffentlicher Gebrauch der Vernunft, publiek gebruik van de rede. Met andere woorden: hoe betrek ik het grotere geheel in mijn denken, de rest van de wereld? De algoritmisering van het publieke debat leidt zoals we gezien hebben tot grote verdeeldheid en polarisatie. Die kunnen we alleen tegengaan als we ons bewuster worden van het belang van onze gedeelde publieke sfeer. Kritisch denken in deze zin betekent ook: je eigen perspectief en positie kunnen overstijgen. (pagina 100-101)

Té druk bezig met pseudo-begrijpen
Deze zomer herlas ik Verloren land : de zeven stappen van democratie naar dictatuur van de Turkse journaliste Ece Temelkuran (1973).

Een vervelend, maar prachtig geschreven boek. Dat enerzijds zeer negatief is, en burgers die denken dat het niet zo’n vaart zal lopen (dat democratische landen afglijden naar iets wat op een dictatuur lijkt) wakker zal schudden. Tegelijkertijd is het ook een optimistisch verhaal, want Ece gelooft heilig in de kracht van mensen en dat wij in staat zijn het tij te keren. Dat zal - helaas - niet vanzelf gaan; en daarmee sluit ze aan bij het betoog van (een) Daan Roovers. Je moet je als mens wel iets meer met politiek bezig gaan houden.

Ergens aan het eind van haar betoog, haar verhaal, schrijft ze:

Onze fout was niet dat we niet deden wat we hadden kunnen doen, maar vooral dat we niet inzagen dat we eerder iets hadden moeten doen. We waren te druk bezig met wat je pseudo-begrijpen zou kunnen noemen.
Zoals wij in Turkije deden, proberen veel mensen in diverse landen te overleven door aan de zijlijn te gaan staan. Ze slaan het gruwelijke gevecht gade zonder zich te realiseren dat zijzelf ook worden geacht gladiatoren te zijn. Onze behoefte om te begrijpen waarom mensen ‘slaaf willen zijn’ houdt ons aan onze smartphones en computerschermen gekluisterd, op zoek naar antwoorden, en dat proces is zo tijdrovend en zo bevredigend dat het lijkt alsof het ons allemaal niet aangaat. Het is niet alleen dat we pogingen om te begrijpen hebben verward met de gefascineerde verwondering over de genadeloosheid van de massa; we hebben ook gefaald om in te zien dat begrip vervolgens ook actie van ons vraagt. Als we niet politiek actief of reactief zijn, vervalt ons begrip tot slechts de uitdrukking en uitwisseling van een emotionele respons. Onze reacties zijn dan op den duur niets meer dan een treurig cabaret. Schriftelijke of mondelinge uitingen van boosheid en angst vervangen niet alleen het actieve begrip en de dialoog, maar ook het daadwerkelijk politiek handelen. En na verloop van tijd wordt het capabele ik een ontoereikend voornaamwoord dat alleen kan dagdromen en troost vindt in sprookjes, terwijl het nieuwe politieke wij - het echte volk - steeds sterker komt te staan en wordt gevoed met meer vijandigheid en manipulatie. Uiteindelijk is de zijlijn, de rand van de arena, niet langer een keuze, aangezien je geen andere kant meer op kunt. (pagina 219)

Artikel: Verloren land: Dit is een historische trend, die de banaliteit van het kwaad verandert in het kwaad van de banaliteit. (april 2019)

Ece TemelkuranZijlijn, gladiatoren, treurig cabaret, dagdromen, troost vinden in sprookjes
Ece Temelkuran beschrijft een wereld waarin veel landen wegglijden van wat we een volwassen democratie noemen. Ze ziet in steeds meer landen signalen die een relatie hebben met een van de door haar beschreven zeven stappen. Ook in Nederland.

In de alinea hierboven zet ze veel mensen weg als treurige types die vooral waarnemen wat in hun land gaande is, maar ‘iets’ doen? Ho maar! Toch is ze optimistisch en hoopt dat genoeg burgers op zullen staan die zich te weer zullen stellen tegen die anti-democratische ontwikkelingen. Ze heeft het minder over een andere reden voor onze lethargie: het zwelgen in onszelf.

Zelfverwoestingsboek
Over die houding om vooral met jezelf bezig te zijn, zwelgen in jouw eigen wereld en sores, verscheen deze zomer (volgens mij niet toevallig) een prachtig pamflet.

Een dun boekje waar de boosheid (pathos) vanaf spat. En de ironie. Marian Donner weet dat ze overdrijft, maar met mitsen en maren val je niet op. Ze maakt zich druk in haar Zelfverwoestingsboek en bepleit andere waarden, dingen (ethos). Haar boek is één grote aanval op onze obsessie om ‘gelukkig’ te worden.

Het boek lijkt een beetje op Standvastig : onder alle omstandigheden jezelf blijven van de Deense schrijver Svend Brinkmann. Die had het in dat in 2016 verschenen boek onder meer ook over de hausse aan zelfhulpboeken en onze obsessie om gevrijwaard te blijven van de vervelende kanten van het leven en de samenleving. Marian Donner gunt ons allen allerlei vervelend gedoe. Dat zit opgesloten in de ondertitel: waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen.

Een mens is in haar ogen pas mens als hij of zij faalt. Daar zullen we mee moeten leren leven, en alle pogingen om daaraan te ontsnappen zijn aan de ene kant te begrijpen (en nodig), maar lang en breed moeten we ook begrijpen dat we ‘het’ nooit ‘goed’ zullen doen, of een ideale wereld zullen bewonen. In het hoofdstuk Dans citeert ze een beroemde regel: ‘Ever tried. Ever failed. No matter. Try again. Fail again. Fail better.’ En merkt dan op:

Doorgaans wordt dit gedicht van Samuel Beckett gezien als een aansporing om net zo lang door te gaan tot iets lukt, maar ik interpreteer het anders. Lukken gaat het namelijk nooit. De schoonheid ligt in de mislukking. In de onvolkomenheid van elke poging en van elk resultaat. Dat is wat de mens een mens maakt: falen. Dansen, struikelen, vallen, en daar dan een ode aan brengen. Als het even kan in stijl. (pagina 110)

Naar een economie van de vreugde
Govert Buijs
, als hoogleraar politieke filosofie en levensbeschouwing verbonden aan de Vrije Universiteit, mengt zich met zijn Waarom werken we zo hard? : op weg naar een economie van de vreugde nadrukkelijk in het publieke debat over de richting waarin onze samenleving zich zou moeten gaan ontwikkelen.

Hij bepleit een herorientering op de manier waarop ons economisch systeem momenteel is ‘geregeld’. Een van zijn centrale punten is dat economen, beleidsmakers, politici en andere decision makers nu eindelijk eens gaan toegeven dat dé mens geen rationeel, economisch handelend wezen is.

Exit Homo economicus?
Dat verhaal over die homo economicus is al eerder, en de laatste jaren steeds nadrukkelijker door velen onderuit geschoffeld.

Artikel: De ecologische, maatschappelijke en technologische stroomversnelling ... dwingt ons om uit onze Bourgondische comfortzone te stappen. (april 2019)

Mensen zijn geen rationele wezens die continu alles afwegen. Zich afvragen wat er voor hen in zit. Ten koste van anderen. Integendeel. Mensen willen erbij horen, iets voor anderen betekenen én doen dat feitelijk bijna continu. Om met de titel van het nieuwe boek van Rutger Bregman te spreken: De meeste mensen deugen.

Homo cooperans
Govert Buijs komt met een nieuwe variant op die analyse en een nieuw begrip (althans voor mij): Homo cooperans. De mens is een coöperatief wezen. Die vooral samen wil werken. ‘Goede’ dingen doen voor zijn gezin, omgeving, werk, de gemeenschap, en die lang niet altijd in eerste én laatste instantie denkt aan wat hij of zij er uit kan halen.

Extractief? Meer nemen dan geven
Verder vond ik het opmerkelijk dat hij meerdere keren ingaat op het begrip extractieve instanties of personen. Geleend van twee economen, de Amerikaanse Daron Acemoglu en de Brit James Robinson.

Die beschrijven in hun Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm omstandig (d.w.z. met voorbeelden uit tientallen landen en tijden) hoe machtige mensen en partijen er steeds in slagen het gros van de door een samenleving gecreëerde welvaart naar zich toe te trekken. Zij onttrekken waarde. En Govert Buijs ziet samen met vele anderen dat die tendens de laatste decennia alleen maar is toegenomen. Denk aan de 1 procent van de 1 procent versus de rest van ons (de 99%). Lees bijvoorbeeld Moneyland van Oliver Bullough.

Artikel: Moneyland: het zal nooit makkelijker zijn om ertegen op te treden dan nu. (april 2019)

Een christelijk, seculier verhaal?
Govert Buijs werkt op en voor de Vrije Universiteit en dat kun je merken aan zijn toon. Ik schat dat hij in een protestants milieu is grootgebracht, ergens gaandeweg zijn geloof heeft verloren maar nog steeds gelooft in de waarden (minder de normen) die hij in zijn jeugd heeft meegekregen.

Hij is een van de velen en weet ongetwijfeld dat Yuval Noah Harari, een verklaard atheïst, betoogt dat samenlevingen bij elkaar gehouden worden door verhalen.

Artikel: Homo Deus - de mens zal in zijn jacht naar gezondheid, geluk en macht steeds een van zijn eigenschappen veranderen, en dan nog een, net zolang tot hij niet meer menselijk te noemen is. (maart 2017)

TINA?
Verhalen die de meeste mensen in een bepaalde tijd en samenleving voor waar houden (terwijl het overduidelijk slechts verhalen zijn, niet gestoeld op enige werkelijkheid noch waarheid) en naar de geest van dat verhaal proberen te leven. Govert Buijs weet dat ‘onze’ oude verhalen (over bijvoorbeeld hoe een economisch systeem zou moeten werken) feitelijk passé zijn én ingeruild moeten worden voor een ander. Een verhaal dat beter aansluit bij onze huidige tijd en haar (grote) problemen, sorry: uitdagingen.

Artikel: TINA - maar feiten zullen niemand veranderen die niet veranderd wil worden. (mei 2017)

We gaan een tijd van ingrijpende transities tegemoet. Deze kunnen niet slagen zolang we intellectueel gehuwd blijven met de Homo economicus en, met Thatcher, het eminente belang van samen-leven, de samenleving voor het menselijk bestaan ontkennen. Transitie hoeft niet te betekenen dat alles minder wordt en dat we dus tandenknarsend, in een sfeer van afscheid en teleurstelling, op weg moeten naar iets dat we niet willen. Of nog erger: een sfeer waarin sommigen op weg gaan naar iets voor hen heel moois, terwijl aan anderen allerlei moois ontnomen wordt. (pagina 10)

Het lijkt alsof er zich inmiddels een nieuw narratief, een nieuwe biomythologie aan het ontwikkelen is, waarin naast de oude noties van strijd en overleven geheel nieuwe klanken verwerkt worden, die van empathie, sympathie, compassie, samenwerking, prosociale preferenties, of hoe men dit allemaal in verschillende takken van wetenschap ook maar wil aanduiden. (pagina 37-38)

De kern van de zoektocht is het vinden van een nieuwe verhouding tussen individu en gemeenschap, tussen ‘ik’ en ‘wij’. (pagina 86)

Een neoliberaal marktfundamentalisme lijkt weinig behulpzaam, maar evenmin een massieve afwijzing van de markt en van marktwerking. Ideologische debatten helpen niet. Pragmatische combinaties van marktwerking en overheidsregulering- en ingrijpen zullen ons hoogstwaarschijnlijk verder brengen dan starre dogmatiek, die geregeerd wordt door angst voor een totalitair socialisme dat niet meer aan de orde is (Hayeks Road to serfdom) of door bestuurlijke angst voor de creativiteit van mensen (de bestuurlijke controlereflexen). Het zal veel meer om afstemming tussen verschillende maatschappelijke sectoren moeten gaan. (pagina 141)

De gulden middenweg
Al met al laat Govert Buijs goed merken geen voorstander te zijn van revoluties. Radicaal andere wegen inslaan. Zijn boek heeft ook iets weg van De limieten van de markt : de slinger tussen overheid en kapitalisme van de beroemde Belgische econoom Paul De Grauwe. Op de omslag van dat boek staat bewust de slinger uit de ondertitel.

Hij bepleitte al in 2014 dat ‘de economie’ een andere weg in zou moeten slaan. Weg van doorgeslagen marktwerking én geloof dat ‘de markt’ de oplossing voor bijna alles zou zijn. Nee, hij maakte zich toen al grote zorgen over het kapitalistische systeem. Doorgaan op die weg zou op termijn leiden tot revoluties, en dan moet je maar afwachten hoe dat zal uitpakken. Hij bepleitte een bijsturing, zodat de slinger ietwat meer in het midden zou komen te hangen.

Artikel: Markt en staat zijn als tweelingbroeders: ze kunnen zonder elkaar niet leven, en ze versterken elkaar. (oktober 2014)

Govert Buijs is ook zo iemand, alleen is zijn verhaal, zijn betoog heel anders opgebouwd. Met - nogmaals - talloze verwijzingen naar zijn afkomst en verwijzend naar christelijke (protestantse) en andere bronnen.

Alex Brenninkmeijer mengt zich in het gesprek
Hij is niet de enige; er zijn meer redelijke anti-revolutionaire denkers en intellectuelen die zich in het debat mengen. Alex Brenninkmeijer (1951), de beroemdste Nationale ombudsman, mengde zich begin van dit jaar in het gesprek. Toen verscheen bij Prometheus (en niet bij AUP) Moreel leiderschap.

Bullseye, wat mij betreft. En een mooi slot van dit artikel. Alleen liep ik tijdens mijn vakantie (weer) tegen een klassiek kunstwerk aan. En daarin zit wat mij betreft de crux van dit alles. Ook zal ik nog een column van deze zomer meenemen, geschreven door een van de zes Zomergasten van dit jaar.

Moreel leiderschap
Alex Brenninkmeijer wordt/werd door velen in bestuurlijk Nederland als een pain in the ass gezien. Hij was als ombudsman zes jaar zeer kritisch over de manier waarop vooral politiek Nederland ons land bestuurde. Maar feitelijk was hij evenzeer kritisch richting andere leiders en decision makers bij bedrijven, instellingen en organisaties.

De kern daarvan is wat mij betreft dat die leiders zich vooral als technocraten gedragen. Amper geleid worden door idealen, maar vooral ‘lekker’ aan het managen zijn. En gestuurd en geleid worden door cijfertjes. Getallen die vertellen hoe de werkelijkheid is en er voor staat.

Daarmee negeren zij dat wat mensen tot mensen maakt en zich juist niet laat terugbrengen tot getallen of spreadsheets.

Hij is volstrekt wars van de beroemde uitspraak van minister-president Mark Rutte dat hij niets van idealen of vergezichten moet hebben. Hij houdt wel van die olifant in de kamer. Logos regeert - in zijn optiek, verhaal en beeldspraak - in ons land; maar evenzo in vele andere landen. Technocraten en managers leiden.

Drie woorden: logos, pathos en ethos
Alex Brenninkmeijer hangt zijn hele betoog op aan deze drie woorden. Oude woorden. De zogenaamde retorische driehoek. Die als het ware verklaren hoe mensen in elkaar zitten én hoe samenlevingen functioneren.

De crux is dat in onze huidige samenleving leiders te veel de nadruk op logos leggen, terwijl zij - als slimme leiders - beter moeten of zouden kunnen weten. Mensen zijn genegen zich rationeel te gedragen (zeg volgens de logos), maar in de praktijk doen ‘we’ de meeste ‘dingen’ op ons gevoel (met pathos) en worden daarin als het ware op de achtergrond ‘aangestuurd’ door onze verlangens, wat we belangrijk vinden, hoe we naar de wereld kijken, hoe we zouden willen dat een ideale wereld eruit zou moeten zien (zeg: ethos).

Langzaam denken, aub!
Brenninkmeijer haalt meerdere keren de Israëlische psycholoog Daniel Kahneman aan om te staven dat mensen meer pathos dan logos-types zijn.

Kahneman betoogt in zijn Ons feilbare denken dat we als mens vooral geleid worden door ons gevoel. Hij gebruikt andere woorden, en noemt ons gevoel Systeem 1.

Logos, het bewust denken-’systeem’, noemt Kahneman Systeem 2, en laat fijntjes weten dat dit systeem slechts 5 procent van de tijd door onszelf als het ware wordt aangezet. Veel meer kan ook niet, want dit langzame denken kost veel energie.

De rest van de tijd ‘heerst’ ons gevoel, pathos. Daar is an sich niet zo veel mis mee, want dat systeem behoedt ons het gros van de tijd van het doen van verkeerde dingen.

Helaas hebben we in tijden van transitie wel behoefte aan denken, nadenken. Voor- en nadelen van aangedragen oplossingen wikken en wegen. Hebben we behoefte aan vergezichten, die (vaak) haaks staan op wat we (nu nog) normaal vinden.

 

Greta
Dit logos-pathos-ethos-verhaal (want dat is het, een verhaal) heeft ook wel iets weg van de (mede) door Greta Thunberg geuite klacht dat volwassenen (iedereen van achttien jaar en ouder) zich wat het klimaat betreft zeer onvolwassen, als een kind gedraagt.

Daarmee bedoelt ze dat wij, die volwassenen, de feiten niet tot ons willen laten doordringen, en zelfs als we dat doen we als het ware wegkijken. Weigeren om noodzakelijke maatregelen te treffen en ‘vrolijk’ doorgaan met waar we als decennia lang mee bezig zijn.

En volwassenen vol pathos zetten haar op hun manier weg als een, tja … persoon die niet deugt en haar mond moet houden. Pathosvolle volwassenen die zich op een wellicht verlopen ethos beroepen, maar zich daaraan ondanks alles en met alle middelen wel krampachtig willen vasthouden.

Een nieuwe balans
Alex Brenninkmeijer loopt al ‘enige’ tijd mee en weet dat wij mensen worstelen met deze drie begrippen. Desondanks bepleit hij dat er een nieuwe balans gezocht wordt tussen deze drie ‘entiteiten’. En dat we daardoor de juiste beslissingen gaan nemen over alle grote uitdagingen die hij ook ziet.

Bij het maken van afwegingen is ratio niet superieur aan pathos of ethos. Dat ik over morele keuzes nadenk en woorden zoek voor mijn redenering, betekent niet dat die keuzes slechts rationeel te verantwoorden zijn. Morele leiderschap ontwikkel ik door een bewuste en weloverwogen bemiddeling tussen logos, pathos en ethos. Het ethos geeft als het erop aankomt de doorslag. Het schenden van ethos raakt mensen vaak diep, waardoor pathos geactiveerd wordt. Een beroep op de logos van regels, protocollen en procedures kan ontaarden in een machtsargument, dat verdere reflectie op pathos en ethos dood kan slaan. (pagina 229)

De ivoren toren
Alex Brenninkmeijer maakt zich in dit boek ook grote zorgen over de staat van ons democratisch systeem. Hij bepleit vooral dat de elite die ons land ‘regeert’ meer moeite gaat doen om op te halen wat er bij mensen leeft. In (zijn) epiloog zegt hij het als volgt:

... mijn analyse van moreel leiderschap in verbinding met democratie en politiek, rechtspraak, openbaar bestuur en de media, betreft de overgang van macht naar gezag, van debat naar dialoog, van eenzijdig naar responsief. Een dialoog tussen betrokkenen waarin ruimte wordt gegund voor een uitwisseling van visies op logos, pathos en ethos. De keuze die gemaakt wordt is zoveel mogelijk gemeenschappelijk, waarbij alle mogelijke belangen aan de orde komen. Zijn er belangentegenstellingen, dan wordt daar op een redelijke en respectvolle manier mee omgegaan. Mogelijke conflicten worden niet op autoritaire wijze beslecht, maar eerst via een redelijk gesprek verkend en vervolgens opgelost. (pagina 306-307)

De mens is geen wolf
In zijn slotwoorden laat hij merken niet te geloven dat ‘de mens’ een rationeel, egoïstisch type is. Integendeel. Evenals Rutger Bregman gaat hij er van uit dat De meeste mensen deugen. Op pagina 210 noemt hij zelfs een getal: 98 procent. Hier staat echter geen noot bij, dus vraag ik me af waarop die aanname is gebaseerd.

Misbruik voorkomen vormt een gerechtvaardigd doel, maar de kern van de zaak is dat de meeste mensen - meer dan 98 procent - deugen en te vertrouwen zijn. Sterker nog: vertrouwen schenken leidt vaak tot betere resultaten dan handelen vanuit wantrouwen. (pagina 210)

De vraag is natuurlijk wat hij onder deugen verstaat. Zeker is dat hij als controleur van de macht en veel contacten met ‘gedupeerden’ van onze logos-gestuurde samenleving weet dat de meeste mensen die in de put terecht komen vaak het slachtoffer van het (nood)lot en die harde systemen zijn.

‘De mens is een wolf voor zijn medemens’ vormt sinds de Romeinse schrijver Plautus deze woorden neerschreef een belangrijk thema in onze westerse filosofie. De vraag is of ik een wolf wil zijn en of ik met wolven in een roedel wil verkeren. Voor mij geldt dat de mens geen wolf is en dat onze geschiedenis laat zien dat we als mens steeds meer inzicht vergaren in menselijkheid. Daarmee ontstaat geen paradijs, maar we weten steeds beter waarover we het het hebben als het gaat om menselijke beschaving. (pagina 318-319)

Het gebouw van de Secession in Wenen



Het Beethovenfries
Ruim dertig jaar geleden was ik in Wenen. Deze zomer ontdekte ik dat ik daar toevallig was toen het zogenaamde Beethovenfries opnieuw in de Secession was ‘teruggeplaatst’. Dat was in 1986.

Het Beethovenfries is een iconisch werk dat in het voorjaar van 1902 door de Oostenrijkse kunstenaar Gustav Klimt speciaal voor het toen bijna spiksplinternieuwe Secession was gemaakt. Bedoeld voor een tentoonstelling. Na afloop zou het weggehaald worden en ophouden te bestaan. Gelukkig kocht iemand het op en vele jaren later werd het permanent toegevoegd aan dit bijzondere gebouw.

Op een warme zomerdag hing het er onlangs nog steeds. Hangen is trouwens een verkeerd woord, het is een wandschildering. In een speciale, langwerpige kamer. En daar hangt het ruim vier meter hoog, tegen de wand. Beslaat drie wanden, twee lange en een korte.

Het Beethovenfries kun je vergelijken met het beroemde Tapijt van Bayeux. Alleen is dat veel langer en een tapijt, maar de kern is (ongeveer) hetzelfde: een soort stripverhaal.

Gustav Klimt schildert echter geen geschiedenisverhaal, maar een betoog over het goede en het kwade. In zijn tijd; en voor onze tijd.

Centraal staat daarin Ludwig van Beethoven. En zijn negende symfonie. Die legendarische symfonie waarin aan het eind door een groot koor gezongen wordt dat alle Menschen Brüder zullen worden.

Een kunstwerk dat overduidelijk over ethos gaat. En pathos en logos zitten er ook in. Het gaat over het streven van ‘de mens’ naar het goede en dat elk mens op zijn of haar levenspad geconfronteerd wordt met negatieve zaken. Negatieve dingen als gevolg van onze eigen (of andermans) logos en pathos.

Het werk is vernoemd naar Ludwig van Beethoven. Hij staat symbool voor de sterke man (beter: mens) die door zijn unieke eigenschap (dat hij kan denken) zo sterk kan zijn.

Hij wordt omringd door twee ogenschijnlijk lieftallige wezens, beter: symbolen. Nog beter: twee vrouwen. De ene wordt in de Duitse flyer (die te koop is) omschreven als Ehrgeiz en de andere als Mitleid. Ambitie en Mededogen. Voor Ehrgeiz kun je ook lezen eerzuchtig. Voor Mitleid zijn veel synoniemen: medelijden, mededogen, barmhartigheid, deernis of medeleven.

Ik kies voor empathie en compassie. De eigenschap om je als mens te kunnen inleven in anderen. Meeleven en meevoelen met mensen (en andere levende wezens) die anders zijn dan jijzelf en met iets vervelends kampen.

Zeker is dat in de flyer Beethoven neergezet wordt als Der wohlgerüstete Starke, de goed uitgeruste sterke (man). En dat klopt ook wel, want Beethoven staat er stoer bij, en draagt een ferm zwaard. Waarmee hij regeert en (als rechter) beslissingen kan nemen.

Toch is Beethoven ondanks deze woorden slechts een klein onderdeel van deze ‘strip’. Centraal staat als het ware de vrij zwevende mens die op zijn levenspad allerlei zaken tegen komt. Ziekte, Waanzin, Dood, Wellust, Onkuisheid, Onmatigheid of (knagend) Verdriet. Negatieve zaken, emoties.

We hebben er allemaal mee te maken, maar evenals in die negende symfonie loopt ‘het goed’ af. Mensen beschikken ook over de kracht om voor het goede te gaan, zich op te offeren of in te zetten voor zaken die groter zijn hen zelf. Die schoonheid in zich dragen. Zeg maar: ‘het goede’. Bij Klimt wordt dat gestileerd tot (de) Poëzie en (de) Kunsten.

En dat wordt aan het eind van dat lange fries gestyleerd weergeven door een koor. Een koor van engelen uit het Paradijs. Engelen die de beroemde hymne van Beethoven zingen. Woorden van de dichter Friedrich Schiller: Alle Menschen werden Brüder. Uit zijn: Ode an die Freude.


Een Europese hymne
Deze zomervakantie viel kort na de verkiezingen voor het Europees Parlement. Daarover valt van alles negatiefs te zeggen en zeker over de koehandel om posities te verdelen. Zeker is dat het democratisch gehalte van die 28 (wie weet binnenkort 27) landen niet optimaal is; verbeterd moet worden.

Friedrich SchillerMaar ondanks alles is Europa op een mondiale schaal een gezegend continent. Waar - dat viel me deze zomer op - heel veel buitenlanders op af komen. Toeristen. Uit Azië, Afrika en Amerika. Mensen die zich komen ‘verlekkeren’ aan onze gezamenlijk opgebouwde wereld. Vol monumenten en bezienswaardigheden. En vergeet vooral niet die andere wereldburgers die hier hun toevlucht willen zoeken, omdat zij in de gaten hebben dat het leven voor de gemiddelde burger hier nog niet zo verkeerd is.

Natuurlijk kan er op tal van terreinen vooruitgang geboekt worden. De gele hesjes liepen niet voor niets dit voorjaar massaal in Frankrijk rond. Maar het is een gotspe om te menen dat het voor een land beter zou zijn als ze uit die gemeenschap stappen en het zelf, op eigen houtje als land gaan doen.

Onze complexe wereld, vol grote grensoverstijgende problemen, schreeuwt om meer samenwerking; niet minder. Die hymne van Friedrich Schiller kan ietwat pathetisch overkomen, maar - wat mij betreft - is de richting helder. We moeten op weg naar meer samenwerking. Brüder met elkaar worden. Onze verschillen te boven komen en werk maken van de taken die op ons liggen te wachten. En - nogmaals - niet verdwijnen door nog een onderzoekscommissie te doen en hopen dat ‘het’ overwaait. Nee: beter is om elkaar op te zoeken en aan de slag te gaan. Geleid door een ideaal, waaraan we willen gaan werken. Met in het achterhoofd dat té veel logos en té veel pathos ons daarbij kan hinderen.

Maxim FebruariTot slot: een column
Zondag 18 augustus is schrijver Maxim Februari (1963) de vierde Zomergast van dit seizoen. Een bijzonder man die de laatste jaren zeer regelmatig voor NRC Handelsblad columns schrijft. Ook schreef hij een roman over de manier waarop de digitale wereld zich als het ware in onze levens invreet en probeert onze autonomie over te nemen (titel: Klont).

Maxim Februari is van huis uit jurist en mengt zich op zijn manier in het publieke debat over uiteenlopende zaken. Een briljante geest, met een mooie pen. Een genot om te lezen en hij levert vaak stof tot nadenken aan. Op 23 juli sluit hij aan bij bijna alles wat ik hiervoor heb aangedragen. Alleen noemt hij geen enkele titel of schrijver. Ook Gustav Klimt en Beethoven zijn ver weg. Tóch gaat Wij consumenten verwoesten alles van waarde hier over.

Een recent artikel van Maxim Februari: De datahonger van staten en bedrijven zet veel meer op het spel dan uw privacy alleen (De Correspondent, augustus 2019)

Voor zijn doen maakt hij zich aan het eind (een beetje) boos over een collega schrijver/wetenschapper. Rosanne Hertzberger (1984) liet zich kort daarvoor laatdunkend uit over boekhandelaren die het in deze digitale wereld moeilijk hebben. Veel moeite moeten doen om hun toko voor hun omgeving overeind te houden. Dat vindt hij jammer, en niet nodig. Die boekhandelaren strijden natuurlijk voor hun inkomen, maar de meesten van hen streven ook ‘het goede’ na: een boekhandel op loopafstand met een mooie collectie en deskundig personeel. Een waardevol (cultuur)goed.

Alleen, helaas, alleen gedragen wij volwassenen ons niet altijd volwassen. Beter: regelmatig stellen we ons als consumenten op. Die door ons gedrag ‘dingen’ kapot maken die waardevol zijn. Dingen die we betreuren als ze er niet meer zijn. In deze column ging het om goede boekhandels die omvallen en Bookaroo (die hij in zijn column meenam) is waarschijnlijk niet dé oplossing om hen overeind te kunnen houden.

Artikel: Goed nieuws, Bookaroo (juli 2019)

Lees voor die boekhandel: ijsberen, insecten, een welvaartsstaat, goede kranten et cetera. Door ons consumentengedrag (die ontstaat door een mix van logos, pathos en ethos) maken wij mensen veel kapot. Maxim sloot die bewuste column als volgt af:

Rosanne Hertzberger heeft schamper gereageerd dat zulke boekwinkels niet interessant zijn “voor de consument” en dus moeten verdwijnen. Haar is al terecht tegengeworpen dat een boek waarde heeft, maar in lijn met de kapitalisme kritiek van De Telegraaf voeg ik daar nog een vraag aan toe. Hoe komt het toch dat de consument in ons alles ruïneert, verwoest, platbrand, sloopt en te gronde richt wat de burger en de onderzoeker in ons dierbaar is?

Uiteindelijk draait het - volgens mij - om twee woorden en de balans tussen die twee: nemen en geven.

Artikel: Onttrekken of toevoegen? (februari 2019)


Een afkorting
Of om vier dingen.

In Harnas van Hansaplast, een 'knotsgekke roman van Charlotte Mutsaers (1942) komt op zeker moment 'de' Etos voorbij. Een oerhollandse winkelketen; die wellicht ook op omvallen staat.

In 1931 ontstond de naam: Etos, Coöperatieve Verbruiksvereeniging en Broodbakkerij G.A. Maar nooit geweten dat het een afkorting is:

Eendracht
Toewijding
Overleg
Samenwerking

Een ander verhaal, en hyper actueel.

Artikelen die hier (deels) op aansluiten
Rutger Bregman's Next idea: De meeste mensen deugen (februari 2019)

(donderdag 15 augustus 2019)
Hans van Duijnhoven